Hoe ontstaan tweelingen en hoe kan men een ééneiige van een twee-eiige tweeling onderscheiden?

Men kan tweelingen in twee verschillende typen indelen. Twee-eiige (of dizygote) tweelingen ontstaan uit de bevruchting van twee verschillende eicellen door twee verschillende zaadcellen. Deze kinderen delen evenveel genetisch materiaal als gewone broers en zussen. Eeneiige (of monozygote) tweelingen ontstaan uit de bevruchting van één eicel door één zaadcel, waarna de eicel zich splitst in twee identieke delen. Eeneiige tweelingen zijn dus genetisch identiek. Dat betekent ook dat ééneiige tweelingen altijd hetzelfde geslacht hebben, terwijl twee-eiige tweelingen van hetzelfde of van verschillend geslacht kunnen zijn.

Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw schommelde het aantal tweelingen in Vlaanderen en Nederland tussen de 10 en 14 per 1000 geboorten. Ongeveer 55 à 60% van de tweelingen is twee-eiig. Vandaag de dag klopt dat niet meer. De totale tweelingfrequentie is sterk gestegen, voornamelijk door het gebruik van medicatie en medische interventie bij onvruchtbaarheid. Ongeveer de helft van alle tweelingen die nu in Vlaanderen worden geboren, is het gevolg van  een  medische behandeling. In Nederland is – net als in de meeste geïndustrialiseerde landen – een vergelijkbare trend te zien. Doordat het merendeel van de tweelingen die geboren worden na een medische behandeling twee-eiig is, is tegenwoordig dus ongeveer 75% van de nieuwgeboren tweelingen twee-eiig.

Twee-eiige tweelingen

Zoals gezegd ontstaan twee-eiige tweelingen na een dubbele eisprong. Daarbij komen dus tegelijkertijd twee eicellen vrij. De eicellen kunnen afkomstig zijn van één eierstok of van twee; in dat geval draagt elke eierstok een eicel bij. Er zijn vijf factoren die zo’n meervoudige eisprong in de hand werken, namelijk ras, erfelijkheid, leeftijd, pariteit (het aantal keer dat een vrouw bevallen is) en ten slotte de meest belangrijke: kunstmatige stimulering van de eisprong met behulp van medicatie. Zo krijgen zwarte vrouwen bijvoorbeeld twee tot vier maal meer tweelingen, mongoloïde vrouwen daarentegen twee maal minder twee-eiige tweelingen dan blanke vrouwen. Daarnaast speelt erfelijkheid een belangrijke rol. Het gen dat voorbeschikt tot een twee-eiige tweeling kan zowel langs vaders- als langs moederszijde worden doorgegeven. Vanzelfsprekend kan de vader die eigenschap niet tot uitdrukking brengen, maar hij kan haar wel aan zijn kinderen overdragen.

Ook leeftijd en pariteit beïnvloeden onafhankelijk van elkaar de kans op het krijgen van een twee-eiige tweeling. Hoe hoger de leeftijd van de aanstaande moeder en hoe groter het aantal eerdere bevallingen, hoe groter de kans op het krijgen van een twee-eiige tweeling. Op 37-jarige leeftijd raakt een vrouw bijvoorbeeld minder snel zwanger dan op 18-jarige leeftijd; de kans dat zij een tweeling krijgt, is echter vier maal zo groot. Verder is het risico op een meerlingzwangerschap na stimulering van de ovulatie via medicijnen en na in-vitrofertilisatie hoog, zo’n 10 tot 25%. Doordat twee-eiige tweelingen ontstaan door de bevruchting van twee eicellen door twee zaadcellen, zullen de twee embryo’s zich afzonderlijk ontwikkelen en zich afzonderlijk innestelen in de baarmoeder. Dit is van groot belang voor een goed begrip van de structuur van de placenta bij een tweelingzwangerschap. Een afzonderlijke inplanting betekent dat ieder embryo zijn eigen placenta en vruchtzak gaat ontwikkelen (zie Figuur a en b).

Verschillende combinaties van moederkoeken en vruchtzakken. De moederkoek, de navelstreng en het embryo zijn gestippeld. De dikkere en dunne lijn (chorion en amnion) vormen samen het omhulsel van de vruchtzak.

Eeneiige tweelingen

Een ééneiige tweeling ontstaat helemaal anders. Eén zaadcel bevrucht één eicel. Die bevruchte eicel splitst zich later. Het is een raadsel waarom dat gebeurt. De huidige onderzoeksgegevens suggereren dat de vier factoren die de kans op een twee-eiige tweelingzwangerschap vergroten geen invloed hebben op het aantal ééneiige tweelingen. Het aantal geboren ééneiige tweelingen lijkt door de tijd  gelijk te blijven. Men spreekt hier over een universele constante: 4 op de 1000 bevallingen. De enige factor die het aantal ééneiige tweelingen licht verhoogt, is het gebruik van eisprongstimulerende medicijnen en in-vitrofertilisatie.

De splitsing van de bevruchte eicel kan op verschillende tijdstippen in de ontwikkeling plaatsvinden: vroeg (één tot drie dagen na de bevruchting), laat (tussen de vierde en achtste dag na de bevruchting) en in uitzonderlijke gevallen zeer laat (na de achtste dag na de bevruchting). Eeneiige tweelingen bij wie de bevruchte eicel zich vroeg heeft gesplitst, ontwikkelen zich net als twee-eiige tweelingen in twee aparte vruchtzakken (Figuur 1a en 1b). Bij de meeste ééneiige tweelingen heeft de eicel zich laat gesplitst; daardoor ontwikkelen de embryo’s zich in een vruchtzak met een gemeenschappelijk buitenste vlies, chorion genoemd. Vandaar dat men dan spreekt over monochoriale tweelingen. Binnenin die ene vruchtzak worden beide embryo’s nog wel omhuld door een apart vlies (zie Figuur 1c), zodat ze elkaars ontwikkeling niet verstoren. De zeldzame tweelingen die nog later splitsen kunnen dat wel. Ze groeien op in één vruchtzak en zijn niet gescheiden door een apart vlies (zie figuur 1d).

Monochoriale tweelingen lopen wel een groter risico tijdens de zwangerschap. Ze wisselen namelijk elkaars bloed uit via vaatverbindingen in de moederkoek. Meestal stroomt het bloed in beide richtingen en is de uitwisseling dus in balans. Soms echter gaat het bloed wel van het ene naar het andere kind, maar komt het niet terug. Het ene kind is dan erg rood, terwijl het andere heel bleek ziet. Dit ‘Twin-to-Twin Transfusiesyndroom’ leidt vaak tot de dood van één of zelfs van beide kinderen.

De zeldzame tweelingen die nog later splitsen lopen nog een ander gevaar : voor of tijdens de geboorte kunnen de navelstrengen in elkaar verstrengeld raken. Daardoor kunnen de baby’s stikken. In zeer uitzonderlijke gevallen kunnen de kinderen zelfs met elkaar vergroeien. Dan spreekt men van een Siamese tweeling. Merkwaardig in deze groep van zeer late splitsers is het grote aantal meisjes (75%) ten opzichte van het aantal jongens: slechts 25% jongens (bij éénlingen en twee-eiige tweelingen is dit 51%)! Dit komt waarschijnlijk doordat jongens al vroeg in de zwangerschap vòòr of een voorsprong hebben in hun ontwikkeling . Door die voorsprong is een zeer late splitsing van de eicel waarschijnlijk niet meer mogelijk.

Contact gegevens

Oost-Vlaams Meerlingenregister
Twins UZ-Gent
De Pintelaan 185 DPP II, ingang 75 
9000 Gent

Tel : (09)332 29 14
Mail : twins@twins.be

Spreek uw vraag in op het antwoordapparaat en er zal zo spoedig mogelijk met u contact opgenomen worden.